Een nieuw element onder een platenspeler monteren lijkt zo’n klus waarvan je vooraf denkt: hoe ingewikkeld kan het zijn? Twee schroefjes, vier draadjes, naalddruk instellen en draaien maar.
Totdat je eraan begint.
Dan blijkt ineens dat ongeveer goed bij vinyl eigenlijk gewoon fout is.
Het begint al met de positie van het element in de headshell. Een millimeter naar voren, een fractie gedraaid naar links, toch weer iets terug. Vervolgens de mal erop, turen naar de lijntjes en opnieuw beginnen omdat de cantilever nét niet evenwijdig loopt. Niet het huisje van het element is bepalend, maar uiteindelijk de naald en cantilever zelf. En die laten zich lang niet altijd eenvoudig beoordelen.
Het is typisch zo’n bezigheid waarbij je na twintig minuten denkt dat het perfect staat, om vijf minuten later te ontdekken dat je er schuin naar keek.
En toch is dat gepriegel de moeite waard.
Een element dat niet goed uitgelijnd staat kan in eerste instantie best aardig spelen. Zeker aan het begin van een plaat. Maar richting de binnenste groeven wordt het verschil vaak duidelijker. Stemmen krijgen een scherp randje, de rust verdwijnt en een drukke passage wordt ineens net wat onrustiger. Dat is precies het vervelende: je vraagt je vervolgens af of het aan de plaat ligt, het element, de phonotrap of misschien zelfs aan de opname.
Terwijl het element gewoon een halve millimeter verkeerd staat.
Dan de naalddruk. Ook zoiets waar je heerlijk mee kunt blijven spelen. De fabrikant geeft bijvoorbeeld 1,8 tot 2,2 gram op en ergens ontstaat dan de gedachte dat 1,8 gram waarschijnlijk verfijnder klinkt. Minder druk, dus meer lucht, toch?
Niet per se.
Te licht instellen kan juist zorgen voor minder controle en meer vervorming. Zelf begin ik daarom liever rond het midden van het geadviseerde bereik en luister van daaruit verder. Een digitale naalddrukmeter is hierbij eigenlijk onmisbaar. Vertrouwen op de schaalverdeling van het contragewicht is leuk, maar als je toch bezig bent kun je het net zo goed goed doen.
En dan zijn we er nog lang niet.
De hoogte van de arm – VTA – kan eveneens behoorlijk wat doen. Een heel kleine verandering kan ervoor zorgen dat een systeem net wat opener, voller of rustiger gaat klinken. Dat maakt het verleidelijk om VTA als een soort toonregeling te gebruiken. Toch probeer ik dat te voorkomen. Eerst technisch zo correct mogelijk instellen, daarna pas finetunen op gehoor.
Azimuth is misschien nog venijniger. Van voren gezien wil je dat de naald zo recht mogelijk in de groef staat. Een minimale afwijking kan al invloed hebben op kanaalscheiding en plaatsing. Zeker in een transparante set hoor je dat niet alleen als links of rechts harder, maar vooral als een stereobeeld dat nét niet helemaal loskomt.
En tenslotte anti-skating. Ook daar bestaan complete filosofieën over. Exact gelijk aan de naalddruk, iets minder, op gehoor, met een testplaat… Je kunt er een avond mee vullen.
Misschien is dat uiteindelijk ook precies wat analoog zo leuk maakt.
Een streamer sluit je aan en hij doet het. Bij een platenspeler moet je soms eerst een uur op je knieën zitten, een lampje erbij pakken, drie keer opnieuw meten en jezelf afvragen waarom je hier ooit aan begonnen bent.
Maar dan zet je die plaat nog één keer op.
De stem staat ineens rustiger in het midden. Bekken klinken schoner. Het laag krijgt meer definitie en het stereobeeld wordt groter zonder nadrukkelijker te worden.
Geen wereldschokkend verschil.
Wel precies genoeg om nog één plaat op te zetten.
En daarna waarschijnlijk toch nog even die naalddruk met 0,05 gram aanpassen.
← Alle artikelen